Der dicke Eiche

De dikke eik

Augustus 2011
Voor de tweede keer fiets ik door het Kottenforst, een uitgestrekt woud ten oosten van Bonn. In vroeger dagen het jachtterrein van keurvorsten van Keulen. Twee jaar geleden fietste ik alleen, richting het Rijndal, op weg naar Rome. Maar vandaag met Cisca. In tegenovergestelde richting, komend vanuit het Rijn- en Moezeldal. Het waren voor Cisca zware kilometers om soms met stijgingspercentages van 7% het Rijndal uit te komen. Maar hier in het bos is het landschap weer vlak en vliegen we over het breed geasfalteerde fietspad.
Het weer vertrouwen we niet. Het is zwaar bewolkt en het voelt klam aan. Er hangt onweer in de lucht. Fietsen we daarom zo hard? Om de regen voor te blijven? We weten nog geeneens waar de etappe vandaag zal eindigen, maar het zal deze keer wel geen camping zijn.
Nog steeds in het bos komen we een aantal wandelaars tegen. Een paar twintigers en dertigers. En ze vallen me juist op omdat ze er niet als wandelaars uitzien. Gewone kleren, overhemden, maar geen wandelschoenen of rugtassen. Een apart gezelschap zo midden in dit woud.
Dan komen we opeens aan op een grote open plek in het bos. Links van het fietspad staan een paar picknicktafels. We besluiten toch maar even rust te nemen en wat te eten en drinken. Aan de andere kant van de open plek staat een houten huisje en daarnaast is er een soort tent opgebouwd, beter gezegd, een met een groot zeil overkapte houten vloer van vlonders. Er staan allerlei houten objecten in. Een paar fietsers die zijn afgestapt nemen er een kijkje. Als we ons broodje op hebben gaan we ook even kijken spreken we af. We vermoeden dat er een kunstenaar aan het werk is.
Dan vallen er een paar grote druppels. We kijken angstvallig omhoog, maar voor een ogenblik, want plotseling knalt de regen naar beneden en rennen we zonder een woord van overleg richting de tent aan de andere kant van de open plek. Met een seconde of tien overbruggen we de vijftig meter die ons scheid van de overkapping. Samen met nog enkele anderen hebben we een bijzondere schuilplaats gevonden.
We staan te midden van de grote blokken hout. Het ene stuk nog meer ondefinieerbaar dan het andere. Een stuk wat als stoel kan dienen, een kolossaal blok met een afgeplatte bovenkant en nog een aantal kleinere objecten. Duidelijk is dat hier een kunstenaar aan het werk is geweest, maar wat hij hierbij in zijn hoofd heeft gehad, ik zie het nog niet voor me.
Dan komt het groepje wandelaars aangelopen die we even te voren tegen waren gekomen. Als verzopen katten zien ze eruit. Ook zij zoeken een plekje onder het zeil. Algauw blijkt dat deze plek hun uitvalsbasis is geweest. Uit het naastgelegen houten huisje halen ze wat droge spullen. Even later worden er zelfs flessen bier uit het huisje gehaald en op het grote houten blok, wat nu als tafel dient, neergezet. Nieuwsgierig volgen we al deze activiteiten en langzaamaan raken we met de jonge Duitsers in gesprek. Het blijken leden te zijn van de Oud Katholieke kerk te Bonn en ze zijn hier vanmiddag vanwege een bijzonder gebeurtenis.

December 2010
Geen wolkbreuk maar een urendurende sneeuwbui teisterde het Kottenforst. Een dikke laag sneeuw heeft de open plek met wel dertig centimeter bedekt. Maar niet alleen de open plek, het dak van het bos, gevormd door alle bomenkruinen is een groot wit veld geworden. Het gewicht van de sneeuw drukt zwaar op de lange takken. Gedurig breekt onder luid gekraak hier en daar een dikke tak af.
De grote dikke eik aan de rand van de open plek torst ook honderden kilo’s sneeuw.
Iedereen uit de omgeving kent deze geweldige boom. Der dicke Eiche. Het is de oudste, grootste en dikste boom van het woud. Men zegt dat de boom wel 400 jaar oud is. De doorsnee van de stam is wel 2 meter, en de omtrek ruim 6 meter. De hoogte van de boom is bijna 30 meter. De boom heeft de status van een natuurlijk monument gekregen wat op een plaquette op de boom beschreven staat. Rond deze boom is de grote open plek ontstaan, want een oude eik heeft altijd iets mysterieus en altijd hebben mensen zich rond deze boom verzameld, om welke reden dan ook. Wat wil je ook, met zijn hoogte verbindt hij de aarde met de hemel, en met zijn leeftijd verbindt hij het verleden met het heden, en het heden met de toekomst. Generaties gaan, generaties komen. Maar de dikke eik blijft staan. Zo is het altijd geweest….

Maar op deze koude decemberdag heeft de oude eik het zwaar met zijn witte loden last. Hij piept en hij kreunt. Het zijn geluiden die hij in al zijn 400 jaren niet heeft laten horen. Zelfs de eik kent de geluiden niet van zichzelf. De geluiden worden luider en luider. Knerpende, knarsende geluiden. Maar eigenlijk zijn voor deze krachtige kraakachtige klanken geen woorden beschikbaar. Zijn het oerkreten van pijn? Van doodsangst? Plots wordt het kraken oorverdovend en komt de hoge stam in beweging. Het onvermijdelijke gebeurd. De honderden kilo’s sneeuw die vooral op de grote rechterzijtak liggen maken dat de boom zijn evenwicht niet meer vast kan houden. Hij valt. Eerst langzaam; het lijkt op een film in slow motion, maar dan opeens heel snel. In een paar seconden stort de oude eik zijwaarts neer en dondert hij met een keiharde plof op de witte aarde. Afgebroken bij de basis. Ontworteld. De aarde trilt. De open plek vult zich met een ondoorzichtige wolk van stofsneeuw. Dan dwarrelt het sneeuw langzaam weer neer op de grond en komt het zicht terug. Het sneeuwen blijkt gestopt. De stilte keert terug op de open plek in het Kottenforst. Maar de open plek is niet meer wat het was. Ontzield.

Januari 2011
Beeldend kunstenaar Klaus Simon (1949) wordt gebeld door een vriendin. Ze verteld dat de oude eik is omgevallen. Klaus weet meteen waar het over gaat. Hij komt uit Bad Godesberg, een voorstadje van Bonn en tijdens wandelingen door het Kottenforst heeft hij meermalen de woudreus aanschouwd. De vriendin belt hem niet voor niets. Ze kent Klaus’ passie voor grote houten objecten. Een aantal jaren geleden maakte hij al eens een altaar voor een kerk in Münster. Klaus is dan ook direct enthousiast. Hij begeeft zich direct naar de open plek in het uitgestrekte bos. Als hij daar aan komt blijkt hij niet de enige te zijn. Tientallen mensen zijn komen kijken naar de omgevallen boom. Klaus is onder de indruk van de geweldige stam die nu horizontaal ligt en zo dik is dat hij er niet overheen kan kijken. Zijn creatieve hart begint te kloppen. Hij wil van dit hout iets maken wat ook nog weer eeuwen mee kan. Weer een altaar voor kerk, of deze keer iets anders? Hij moet contact gaan leggen met het bosbeheer van dit gebied. Hij moet iets bedenken. Hij moet een opdrachtgever zien te vinden. Er is werk aan de winkel.
In dezelfde periode als wanneer Klaus Simon fantaseerde over het hout van de dikke eik was de stichting ‘Renovatie Namen-Jesu-Kirche’ in Bonn bezig met het zoeken van een nieuwe inrichting voor het liturgisch centrum (altaar) van deze Oud-Katholieke kerk in Bonn. Een commissielid van de stichting herinnert zich het werk van Klaus Simon. Zou hij iets voor ons kunnen maken? Men besluit hem eens te bellen. Het bleek het juiste telefoontje op het juiste moment.
Verschillende besprekingen tussen Simon, de kerk en het bosbeheer volgden. Uiteindelijk leiden die gesprekken ertoe dat Simon de opdracht kreeg. Van het bosbeheer mocht hij een deel van de stam gebruiken. Het overgebleven deel van de stam zou als ´gedenkteken´ blijven liggen op de open plek. Het dode hout zou door schimmels, wormen en insecten langzaam afgebroken worden. Over 50 jaar zal er niets meer van te zien zijn, maar groeien er wellicht wel nieuwe eikenboompjes op deze plek.
Men kwam er ook op uit dat Klaus deze opdracht voor een groot deel op de open plek zelf kon gaan uitvoeren. Dit zou zijn inspiratie en de symbolische waarde van het werk nog vergroten. En wandelaars en fietsers zouden kunnen bewonderen hoe Klaus aan het werk was. Naast het boswachtershuisje werd een tijdelijk atelier opgetrokken. Hier zou Simon een kaarsenstandaard, een lezenaar, een zetel en een tafel vervaardigen uit het hout van de dikke eik. De eik die er al stond nog voor de bouw van de kerk in 1686 aanving.


Augustus 2011

De regen klettert nog steeds op het zeildak. Ondertussen is het ons duidelijk geworden: we staan hier te midden van een liturgisch centrum. Ik heb daarstraks op de toekomstige stoel van de Oud Katholieke bisschop gezeten! Onderwijl hebben meer mensen hier een plek gevonden om te schuilen. Eigenlijk is dit nu een kerk bedenk ik. Een schuilkerk nog wel, maar dan in de letterlijke betekenis van het woord. De jongeren van de kerk zijn hier vanmiddag naar toe gekomen omdat straks de objecten worden opgehaald. In ruwe vorm zijn ze klaar. Ze gaan nu naar het eigen atelier van Klaus Simon om te drogen en om verder afgewerkt te worden. De kunstenaar is inmiddels ook gearriveerd. Er wordt gewezen op het bijzondere kruis in het massieve tafelblok. De horizontale balk heeft de natuur zelf gegeven. Een dikke spleet door de hele stam heen. Kruislings hierop heeft Simon dwars door de hele stam de verticale balk uitgefreesd. Een uniek kruis, gemaakt door de hand van God en de hand van een mens.
Ik bedenk dat het inderdaad een bijzondere gebeurtenis is dat dit hout nu het bos gaat verlaten, en begrijp dat er om deze feestelijke reden bier wordt geschonken. En zoals het in een kerk behoord te gaan wordt er gedeeld. De flesje bier worden leeggeschonken in plastic bekertjes en zo is er voor iedereen wat. Straks zal vanaf deze tafel brood en wijn gedeeld worden, maar op deze zaterdagmiddag vloeit het bier.
Dan komt er een auto van de brandweer de open plek oprijden. De lezenaar, de zetel en de kaarsenstandaard zijn gemakkelijk in te laden. Met de massieve tafel (met de inhoud van zeker een kubieke meter) heeft men begrijpelijk meer moeite. Maar met behulp van hydraulische systemen wordt de tafel uiteindelijk de vrachtwagen ingeschoven.
Het is inmiddels opgehouden met regenen en wij vertrekken ook van deze plek. Nog vol van deze bijzondere kerkdienst fietsen we richting Bonn, op zoek naar een Zimmer frei. Morgen de Oud Katholieke kerk bezoeken?

<a

De beklimming van de Kilimanjaro, 27-12-2011 – 02-01-2012

28 december, dag 1: Jambo! (Goedendag)

Om half tien rijdt het busje voor. Hij zit al half vol met Tanzaniaanse jongens die de komende week ons zullen bijstaan in de klim. Met z’n achten hebben we voorlopig voor het laatst comfortabel in een hotel in Arusha geslapen. Onze rugtassen worden ingeladen en daarna kunnen we zelf plaatsnemen. De bus zit tjokvol. Via een korte tussenstop bij het bureau die onze trekking organiseert vertrekken we rond half elf echt: op naar de Machama-gate, de poort op 1900 meter hoogte vanwaar we de start gaan maken van de eerste etappe. Op weg naar de top. De top van de Kilimanjaro.

*

Oktober 2010

Maarten stuurt een mail met daarin een plan: hij wil met een groep de Kilmanjaro gaan beklimmen rond de jaarwisseling 2011-2012. Meteen ben ik enthousiast. Deze kans wil ik aangrijpen. Zo’n onderneming zou ik anders nooit gaan doen. In het voorjaar van 2011 wordt duidelijk dat er 8 mensen mee willen: Maarten en Afien (broer, schoonzus), Willem Hendrik (neef), Julia en Kaei (dochter en schoonzoon), Jan en Ewout (vriend van Maarten en zoon). In mei hebben we een eerste voorbereidingsontmoeting. Maarten toont een video van de Kilimanjaro, we bespreken de reis, de kosten, de voorbereidingen die nodig zijn zoals inentingen, materiaal, kleding. In november komen we nog een keer bij elkaar. We zetten de puntjes op de i. Iedereen is er klaar voor. Op 27 december komen we allemaal aan in Arusha, Tanzania. De volgende dag gaat de beklimming beginnen.

*

Na twee uur rijden komen we aan bij de Machama-gate. We worden ingeschreven, betalingen worden geregeld, we maken kennis met de gidsen: Beltram, Dani en nog een derde waarvan ik de naam kwijt ben. De porters (dragers) verdelen hun ballast: onze rugtassen, manden met voedsel, tenten, potten, pannen, gasstellen. . . . . noem maar op. Alles gaat mee naar boven. We krijgen allemaal een lunchpakketje: een pakje drinken, een stuk fruit, een sandwich, een muffin en een kippenpootje!

Helaas begint het flink te regenen. Gelukkig staan we droog onder een grote overkapping. Zo’n drie, vier andere groepen staan ook klaar voor vertrek. We trekken onze regenjassen aan. Als de regenbui opeens stopt lijkt dat het startsein. Daar gaan we dan. Omhoog!
We lopen een bospad in. Aapjes zitten aan de kant. Jammer genoeg begint het al weer snel te regenen. Gelukkig is het niet koud. Ik schat een graad op 20. Voortdurend worden we ingehaald door zwaarbepakte porters. Het is waarschijnlijk lang droog geweest want het pad is niet modderig. We lopen feitelijk door het regenwoud. Hoge bomen, soms helemaal bemost, soms met lianen, kolossale varens, watervalletjes. . . . hoewel we nauwelijks op uitzichten worden getrakteerd (ook vanwege het mistige weer) valt er genoeg te zien. Na een uur of 5 lopen komen we aan bij het Machama-kamp. 2950 meter. We hebben 1050 meter hoogte gewonnen. In een blokhut moeten we ons weer inschrijven. Hier spreek ik kort met een blinde Koreaanse jongen die met twee begeleiders ook de Kilimanjaro gaat beklimmen. ‘With God is everything possible’ antwoord hij als ik mijn respect naar hem uitspreek.
De porters hebben inmiddels ons kampement al opgezet: twee 2-persoonstenten, een 4-persoonstent, en een ‘eettent’ (Mess genoemd). Daarnaast natuurlijk ook hun eigen slaaptenten en de ‘keuken’ tent. De kok stelt zich aan ons voor: Said. Hij heeft twee hulpkoks. Samen met de 3 gidsen en de 16 porters hebben we dus een begeleidingsgroep van 22 Tanzanianen. Met ons erbij een groep van totaal 30!
De koks wijzen ons naar de Mess. Daar staat thee en popcorn klaar. Op de grond, in de kring blikken we zo terug op onze eerste dag.

Er wordt behoorlijk geklaagd, want verschillende matjes en slaapzakken zijn nat geworden. Dat is niet prettig.
We hebben een uurtje om de slaapplekken klaar te maken en wat te relaxen. De 2 stelletjes betrekken de 2-persoonstenten. Jan en Ewout de ene kant van de 4 persoonstent, Willem Hendrik en ik de andere kant. Wel een krappe plek voor 2 volwassen personen vind ik.
Door de een van de keukenhulpen wordt er bakje heet water met een stukje zeep in de tent gezet, we kunnen ons even opfrissen voor het eten. De warme maaltijd die opgediend wordt is de volgende verrassing. Gloeiend hete preisoep vooraf, daarna gebakken aardappels, een groentemix van boontjes, worteltjes e.d. en rundvleesstukjes. Als toetje stukken mango en ananas. Het smaakte prima! Na nog weer een kop thee gedronken te hebben gingen we rond een uur of 9 slapen.


29 december, dag 2: Karibu! (Welkom)

Ik heb redelijk goed geslapen. We zouden om 7 uur gewekt worden, maar tegen die tijd zijn we ons al aan het opmaken voor de tweede dag. Om half 8 ontbijten we in de Mess. Alweer en verrassing: eerst krijgen we pap: Porruche. Even wennen, maar met wat suiker erin is het wel te eten. Maar niet teveel. Daarna werd er een grote schaal neergezet met geroosterd brood, pannenkoekjes, omeletten, worstjes en fruit. Met zo’n ontbijt moeten we de dag wel aankunnen.
Vandaag hebben we een iets kortere etappe voor de boeg. Een wandeltocht van een dikke 3 uur naar het Shira-plateau, op 3700 meter hoogte. 750 meter verder omhoog dus. Al snel lopen we nu het regenwoud uit. De vegetatie wordt korter en kaler. Het terrein wordt langzamerhand rotsachtiger. Bij mooi weer betekent dit dat we meer van de uitzichten kunnen gaan genieten. Maar helaas, vandaag is het alweer regenachtig en mistig. Het prachtige uitzicht op de top van de Kilimanjaro wat ons ‘door de boekjes’ aan het eind van de tocht wordt beloofd wordt ons niet gegund.

Het lopen gaat ons allemaal nog prima af. Soms wordt ons evenwicht getest als we via wat stenen een stroompje moeten overbruggen. Alleen Jan kampt met een flinke hoofdpijn. Bij aankomst in het Shira-kamp duikt hij direct in zijn slaapzak.
In de Mess krijgen we vandaag thee met zoute pinda’s. We hebben wat meer tijd tot aan het avondeten, maar tot veel activiteiten komen we niet. Een beetje rondhangen, liggen, onderzoeken waar je het best naar ‘het toilet’ kan (of anders dan maar ergens tussen de struiken, buiten het kamp). Ook op dit kamp is het weer druk. Ik schat dat er wel zo’n 7 groepen met ons naar boven trekken. Met alle porters e.d. erbij maakt dat er zich wel zo’n 300 mensen in dit kamp begeven.
Het warme eten gaat er weer prima in. Zo’n beetje hetzelfde als gisteren. Nu echter wortelsoep en in plaats van aardappels vandaag rijst.
Tijdens de koffie/thee komt de hoofdgids Beltram de tent binnen(‘laat de beltrom horen’ zeggen we steeds). Op zijn hurken zittend vraagt hij hoe het met ons gaat. En dan verteld hij wat het plan is voor de volgende dag: 7 uur wekken, warm water, half 8 ontbijten en half 9 vertrek naar het Barranco-kamp. We laten onze veldflessen vullen met gekookt water. Extra veel drinken wordt vanwege de hoogte toenemend nodig. De tweede nacht. Slapen is wederom geen probleem.


30 december, dag 3: Hakuna Matata (Maak je geen zorgen)

Vandaag staat er een zware tocht op het programma. Een stevig ontbijt is dus van belang. Maar ik voel me niet lekker. Hoofdpijn, een beetje misselijk, het rommelt in m’n buik. Ik begin nog wel aan de pap, maar die maakt me alleen maar misselijker. Eén geroosterd sneetje krijg ik weg, en wat plakjes ananas. Hier moet ik het dan maar mee doen. Het is wederom bewolkt en regenachtig weer. Eenmaal is er een stevige bui. Ondanks de beschermende kleding begint toch alles nat te worden en aangezien het ondertussen niet meer zo warm is op deze hoogte dringt de kou door tot op m’n lijf. De handschoenen zijn in deze fase onmisbaar.
Van wandelen is al lang geen sprake meer. Het terrein is rotsachtig, vele kleine en grote (lava) stenen liggen bezaaid op wat het pad moet lijken. Eén gids loopt voorop en kiest steeds de makkelijkst begaanbare route. De blinde Koreaan passeren we weer. Ik vind het ongelofelijk dat hij in staat is dit te doen. Hoe zou hij de omgeving in zich opnemen? Voor ons blijven de vergezichten door de mist (we lopen voordurend in de wolken) ons niet gegund. Wel lopen we in dit gebied langs de kolossale lobelia’s, planten die alleen op de Kilimanjaro schijnen voor te komen.
Vandaag is een soort acclimatisatiedag. We stijgen tot 4200 meter en dalen dan weer naar 3950 meter tot het Barranco-kamp. Op deze manier kunnen we ook een beetje wennen aan de hoogte. Jan is weer aardig opgeknapt. Maar vandaag heeft Kaei het moeilijk. De afgelopen dagen was hij al niet lekker, maar vandaag gaat hij kapot. Gelukkig komt er halverwege de tocht een splitsing met een kortere route naar het Barranco-kamp. Hij neemt die met een gids. Wij nemen de route, via de Lava-tower, een indrukwekkend groot rotsmassief,tot 4200 meter en dalen dan weer af. Dit blijkt niet gemakkelijk. Door alle regen van de afgelopen dagen zijn de kleine stroompjes groot geworden en het vraagt veel klim en balanceerwerk om al dit soort hindernissen te overbruggen. Uiteindelijk komen we tegen vieren in het Barranco-kamp. Voor de eerste keer voel ik me erg moe en slap. Hoewel de hoofdpijn is weggetrokken begin ik wel op te zien tegen de laatste etappes. Zou ik het halen?
Het weer is gelukkig opgeknapt. Op een gegeven moment trekt het even helemaal open en zien we plotseling de top van de Kilimanjaro. Ontzagwekkend, en, wat hoog nog! Sta ik daar overmorgen vroeg? Ik kan het bijna niet geloven.
Van de warme maaltijd, later in de Mess, neem ik van alles een beetje. Ik moet eten, maar het smaakt we niet en het staat me tegen. Kaei blijft in bed liggen. Hij eet bijna helemaal niets. Hoe zal dat aflopen? Onze gids Beltram stelt voor dat Kaei en ik een eigen gebrouwen drankje drinken van de kok. Dat zou heilzaam zijn. Hij raadt af om diamox, tegen de hoogteziekte te gebruiken. Ik laat het me aanleunen en drink de hete thee met verschillende kruiden en o.a. veel gember op.
Om negen uur liggen we allemaal in onze slaapzakken. Morgenvroeg de één na laatste etappe naar het Barafu-kamp.


31 december, dag 4: Lama salama (weltrusten)

Weer sta ik niet lekker op. Beetje zeurende hoofdpijn en een misselijk gevoel. Ik probeer in elk geval veel te drinken. Dat is sowieso belangrijk gezien de hoogte. De pap laat ik aan me voorbij gaan. Het lukt me om één sneetje geroosterd brood naar binnen te krijgen. Eigenlijk veels te weinig, maar het is niet anders. Vandaag en vannacht wordt het de dag van de waarheid. We stijgen 660 meter naar het Barafu-kamp, over een afstand van zo’n 13 kilometer. Als eerste moeten we de Barranco-wall, ook wel ‘breakfast-wall’ geheten, beklimmen. Een steile ‘muur’ van 250 meter hoog. We kijken omhoog en zien een lang zigzaggend lint van mensen die ons voorgaan. Stapje voor stapje beginnen wij ook aan de beklimming. Soms is het letterlijk klimmen en klauteren, of moet je voorzichtig van een rots afglijden. Het is zwaar.

Hier en daar ontstaan files. Regelmatig hoor ik de gidsen: “Pole, pole” zeggen, Swahili voor: rustig, rustig. Degenen die geen moeite hebben met dit soort beklimmingen zijn de porters. Met speels gemak worden we links en rechts ingehaald; springen ze van steen naar steen. En daarbij zijn ze dan nog zwaar bepakt met (onze rugtassen) en op hun hoofd of schouder tenten of grote manden met proviand. Ongelofelijk, wat zijn dit een kanjers. Als wij vanmiddag in het volgende kamp aankomen staan onze tenten alweer overeind. Wij hebben alleen ons ‘dagrugtasje’ bij ons met een fles drinken, wat eten, reservekleding en een fototoestel.
Boven op de Barranco-wall hebben we weer zicht op de top van de Kilimanjaro. Nog steeds lijkt het ontzettend hoog en ver. We nemen een korte rustpauze en vervolgen dan onze weg via de Karanga vallei. Langzaam stijgen we nu tot 4600 meter. Om een uur of 3 arriveren we in het Barafu kamp. Het is even zoeken naar de tenten. Er is veel hoogteverschil en de verschillende tenten staan ver uit elkaar. Ik rol mijn slaapmatje uit en duik meteen in mij slaapzak. Rust, rust, denk ik alleen maar. Net als Ewout waarschijnlijk, want ook hij ligt in no-time in zijn slaapzak.
Weer een etappe achter de rug. Maar ga ik de volgende, laatste etappe halen? Ik fantaseer dat ik vannacht niet mee ga. Het is gewoon te zwaar. Pech gehad, ik kan er ook niets aan doen dat ik niet fit ben.
Na de warme maaltijd (ook nu weer wat gegeten, al was het niet veel) komt Beltram weer gehurkt bij ons zitten. In langzame, zorgvuldig gekozen zinnen beschrijft hij wat het plan is: zo meteen allemaal naar bed (20.00 uur). Om 23.00 worden we gewekt (als we zelf al niet wakker zijn). Aankleden, warme spullen aantrekken,dubbele handschoenen aan. Om 23.30 drinken we koffie/thee met (gember)biscuitjes en dan, om 0.00 uur, nota bene tijdens de jaarwisseling vertrekken we naar de top. Beltram hamert erop dat het rustig aan moet gaan. Dat we geen lange pauzes nemen, alleen zo nu en dan even een staande pauze om iets te eten of te drinken. Het zal een tocht van zo’n 6 uur worden tot we boven op de kraterrand, bij Stella Point arriveren. Hij adviseert om niet op je horloge te kijken, niet te gaan vragen: hoe lang nog. Loop alleen maar, stap voor stap voor stap, achter mij aan. Als we er bijna zijn zal ik het zeggen. . .


1 januari, dag 5: Pole pole (rustig aan)

Eerst kan ik niet slapen. Het is een bizar idee. Straks alweer op staan en dan om 0.00 uur gaan lopen, de hele nacht. Toch wordt ik om 23.10 wakker van het licht en gerommel van Willem Hendrik en besef ik dat ik toch nog een uur of 2 heb geslapen. We maken ons allemaal, zwijgend, gereed. Even later zitten we aan de thee en de koekjes. Het is droog buiten. Helder zelfs, dus ook koud. Het waait een beetje. Tegen twaalven is het wachten nog op Jan. Als hij zich bij de groep schaart staan Julia en Kaei klaar met sterretjes. Het is Nieuwjaar! We omhelzen elkaar. De gidsen zijn ook enthousiast en krijgen ook sterretjes. Maar dan, als de sterretjes gedoofd zijn is het zover. We hangen onze rugzakjes op de rug, zetten onze hoofdlampjes aan en we vertrekken. Naast de 3 vaste gidsen gaan ook nog 2 ervaren porters mee. Daar gaan we, met z’n dertienen. Beltram voorop. Op naar de top van de Kilimanjaro.

Op een gegeven moment zie ik dat het begint te lichten. Aan de horizon veranderd het zwart in donkerrode en donkerblauwe tinten. Het betekent dat het tegen zessen is. Het betekent ook dat we de kraterrand moeten naderen. 6 uur hebben we er dus op zitten. Ik heb het in een soort trance gelopen. Geen stappen tellen of wat dan ook; alleen maar lopen, schuifelen kan je beter zeggen en: pole, pole. Het gevoel voor tijd raakte ik kwijt. Ik richtte me alleen op Beltram die voor me liep. 3 kleine stapjes, even rust. 3 kleine stapjes, even rust enzovoort, enzovoort. Op een gegeven moment stak er een harde, koude wind op. Die was zeker niet prettig. Een extra fleece aangetrokken. Mijn handen steenkoud, maar op een gegeven moment worden mijn handen weer warm. Het enige wat ik me verder herinner zijn de enkele korte pauzes die we hebben gehad. Een begeleider heeft algauw mijn rugzak overgenomen, en hem moest ik dan steeds hebben voor een paar slokken water. Op een gegeven moment was mijn water half bevroren. Halverwege (? ) is het Julia die er helemaal doorheen zit, ze heeft het ijskoud. Ze krijgt extra lagen om zich heen en gaat dan ook weer mee verder.
Rond kwart over zes waren we dan eindelijk op de kraterrand: Stella Point; 5745 meter. Het eerste euforische moment. Het besef ook: we gaan het halen! Ik omhels Julia en Kaei. Voor m’n gevoel was ik op dat moment niet moe en was ik in staat om nog 3 kwartier flink door te lopen tot het hoogste punt. Het hele stuk heeft echter Beltram naast me gelopen, gearmd. Daar moet toch een reden voor geweest zijn. Ongecontroleerd lopen? Gedesoriënteerd? Ik weet het niet. Desalniettemin bereikte ik even na zevenen Uhuru-peak. Het hoogste punt van Afrika. De hoogste losstaande berg van de wereld! Weer euforie! We gaan met z’n zessen op de foto. Julia en Kaei zijn er nog niet. Die zijn toch niet afgehaakt? Dan komen ze er toch aan! Ik fotografeer ze. Maar een groepsfoto met z’n achten lukt niet meer. Sommigen zijn alweer terug. Ik maak nog een paar foto’s van de omgeving.

Dan ga ik ook weer terug. Weer gearmd met Beltram. En ook nog een ander? Ik weet het niet meer. Langzamerhand merk ik dat mijn benen niet meer willen. Ze beginnen loodzwaar aan te voelen. Terug bij Stella-point nemen we even rust. Vanuit hier nemen we een andere afdaling. Schuin naar beneden, door lavapuin en gruis. Alleen lopen gaat niet meer. Ik ben helemaal kapot. Beltram en Dani begeleiden me, maar ze lopen veel te hard naar beneden. Ik moet steeds oppassen dat ik niet struikel. Roep steeds: “Easy, easy! Walk slowly! “ Ik heb echter niet in de gaten dat ik zélf geen controle meer heb over m’n benen en het zelf ben die naar beneden dendert. Op een gegeven moment houden Beltram en Dani me niet meer. Ik glij uit, tol op de grond, kom met mijn hoofd op een rotsblok. Bam! Er gebeurd gelukkig niks. Mijn muts en capuchon fungeren als een soort schokbreker. Gelukkig. Maarten, Afien, Julia, Kaei en Jan komen erbij staan. Je hebt hoogteziekte zeggen ze. . .ik weet het niet, behalve dat ik helemaal uitgeput ben. Ze stoppen een Diamox in m’n mond. Vanaf hier lukt het om rustiger aan de 3 uur durende afdaling terug naar het Barafu-kamp te lopen, met Beltram aan m’n zij. Julia, Kaei en Willem Hendrik lopen met ons op. Elk half uur moet ik even 5 minuten rusten. Om half elf komen we eindelijk aan in het kamp. Er staan bekers met vruchtensap klaar. In een paar teugen drink ik er één leeg om vervolgens totaal uitgeteld in mijn tent in de slaapzak te kruipen.
Ik wil er niet aan denken dat we maar 2 uur mogen rusten en dat er vanmiddag nog een afdaling van 4 uur op het programma staat naar het Mweka-kamp. De Kilimanjaro is killing.
Er zit niets anders op. Om half 2 vertrekken we uit het Barafu-kamp. Ik voel me gelukkig weer iets uitgerust. Maar 4 uur afdalen, ik zie er als een berg tegenop. We gaan in 2 groepjes. Afdalen moet je in je eigen tempo doen. Maarten, Jan en Ewout zijn meer ervaren bergwandelaars en gaan dus vooruit. Ondanks de zwaarte is het een mooi wandeling. De zon schijnt, het is warm. (Julia verbrand haar neus; er komen zelfs blaasjes op). We dalen van 4600 meter naar 3000 meter. In één klap 1600 meter; 16 Domtorens! Het betekent dat elk half uur het landschap veranderd. Eerst alleen nog gruis en rotsblokken, dan lage heideachtige beplanting en grassen, dan struiken, hier en daar een boompje en op het laatst bos, regenwoud. We lopen langs de rand van een dieperliggende vallei wat een prachtig uitzicht geeft. Het pad is soms rotsachtig, soms drassig met veel trapachtige verlagingen. Bij moeilijke stukken ondersteund Beltram me, want na een paar uur lopen ben ik weer erg moe en voelen de benen loodzwaar.
Om half 5 lopen we het Mweka-kamp binnen. De dag zit er op. Vanaf 0.00 uur met één rustpauze van 2 uur continue geklommen of gedaald. 1 januari 2012: zowel het hoogtepunt als dieptepunt van het jaar waarschijnlijk al beleeft. Ik ga naar het toilet. Mijn ontlasting komt er als chocolademelk uit.

2 januari, dag 6: Asante sana! (bedankt)

Gelukkig slaap ik goed, maar ’s morgens blijk ik nog steeds fors aan de dunne te zijn. Dit zal nog 2 dagen aanhouden. Voordat we vertrekken nemen we afscheid van de groep Tanzanianen: de 3 gidsen, de kok, de 2 hulpkoks en de porters. Ze hebben fantastisch werk geleverd. Zonder hen zou de beklimming een mission impossible zijn. Maarten deelt enveloppen met ‘tips’ uit, en de groep zingt voor ons een paar Afrikaanse liederen. Er wordt enthousiast bij gedanst!
Hierna de laatste wandeling, naar de Mweka-gate. Nog weer 1150 meter afdalen tot 1850 meter. Een uur of 3 lopen. Dat moet wel gaan. We lopen weer in 2 groepjes.
Na een uurtje kunnen we tussen de bomen door de Kilimanjaro zien. Kaei wijst naar de top. “Daar is de hel” zegt hij. Ook hij heeft zware dagen gehad. Het heeft veel vans ons gevergd. Tegelijk beginnen we ons trots te voelen. We hebben het gehaald! Ieder voor zich, maar ook als groep. En dat is niet vanzelfsprekend, want zo onderweg komen we ook mensen tegen die het niet gehaald hebben.
Aangekomen bij de gate heeft Maarten ons al uitgeschreven en kunnen we direct in de bus stappen. Terug naar Arusha waar we 2 nachten in een hotel verblijven en van een rustdag mogen genieten. Vandaar uit gaan we nog 5 dagen op Safari! Onderweg naar Arusha maken we nog een tussenstop voor een hapje eten. De laatste maaltijd van onze kok! Nog steeds krijg ik er weinig in, maar een ijskoud colaatje smaakt me prima!

Sarabande. Over Bach, Vestdijk, emoties en de mooiste melodie.

Eindelijk heb ik het boek in handen. Simon Vestdijk’s ‘Keurtroepen van Euterpe’. In de literatuur die ik over Bach heb verzameld wordt vaak verwezen naar het essay wat over deze componist in dit boek staat. Op de Noordermarkt tik ik het voor 10 euro op de kop. Even later, tijdens een lunchconcert in de Westerkerk lees ik het essay alvast diagonaal door. Het gaat o.a. over hoe Bach in zijn composities emoties losmaakt. Het Hoboconcert in G van Handel wordt uitgevoerd. Nota bene tijdens de Sarabande lees ik over Bach’s vijfde Franse suite de zinsnede: ‘Sarabande, misschien de mooiste melodie die Bach schreef’. Eerlijk gezegd interesseerde me het hele concert van Handel me niet meer, maar keek ik er naar uit om ‘s avonds thuis de Sarabande van Bach te beluisteren en te bekijken of het stuk niet te moeilijk zou zijn om in te studeren.
Bach componeerde zijn zes Franse suites in Köthen, rond 1722. Zelf heeft hij ze overigens nooit zo genoemd. Hij noemde ze gewoon: ‘Suites voor Klavecimbel’. Het is niet helemaal duidelijk waarom ze op een gegeven moment Franse suites zijn gaan heten. Misschien omdat de vorm en de stijl lijkt op gelijksoortige suites van de Franse componist Couperin. Gewoonlijk bestaat een suite uit een Prelude ‘gevolgd’ door een aantal dansen: Allemande, Courante,Sarabande, Gigue en Bourrée. Letterlijk betekent ‘suite’ gevolg, of reeks: opvolgend aan de Prelude. Bijzonder echter is dat de Franse suites van Bach niet met een Prelude beginnen. Zo Frans zijn ze dus niet….
De Sarabande zag er niet al te moeilijk uit. Een kruis, driekwartsmaat. Het lukte me redelijk de eerste maten prima vista te spelen en ik hoorde direct het rustige, eenvoudig en vriendelijk klinkende thema. Zeker een mooie melodie. Maar de mooiste? Toen de computer opgestart en op Youtube gezocht naar de Sarabande van de vijfde suite. Diverse uitvoeringen staan klaar, van amateurs en professionals. Ik bekijk en beluister er een aantal, zowel op klavecimbel als piano. Een uitvoering van Alejandro Picó-Leonís is erg mooi. De melodie begint zich langzaam vast te zetten in mijn hoofd. Een basisthema van vier maten die in het vervolg van het eerste deel en in het tweede deel verder uitgewerkt wordt en die steeds in verschillende variaties en modulaties terugkomt.
Een Sarabande is in de suite een vreemde eend in de bijt. Het is een dansvorm die afkomstig is uit Mexico. Via Spaanse kolonisten kwam de dans rond 1600 in Frankrijk terecht waar hij zich doorontwikkelde tot een plechtige dans met meestal een langzaam tempo in een driekwartsmaat met een licht beklemtoonde tweede tel. In andere suites van Bach, denk aan de orkestsuites, maar ook de Suites voor cello en voor luit komen ook Sarabandes voor. De vorm van deze dansvorm heeft Bach ook in zijn koorwerken gebruikt, bijvoorbeeld in het slotkoraal van de Matthäus Passion; ‘Wir setzen uns mit tränen nieder’.
Datgene wat ik van Bach kan spelen heeft hij gecomponeerd voor zijn leerlingen of voor zijn vrouw Anna Magdalena. Verschillende delen van de Franse suites staan dan ook in het bundeltje wat Bach voor zijn vrouw heeft gemaakt: het Nötenbuchlein. De stukken zijn dus niet al te ingewikkeld maar daarom vind ik het des te bijzonder dat Bach met zo weinig ‘middelen’ toch zulke prachtige muziek kon maken. Ook deze Sarabande ga ik toenemend mooier vinden. Een lange melodielijn die rustig wandelt tussen lage D en hoge C. Met steeds weer een verrassende wending. Achtsten, zestienden, triolen. Opvallend is ook de wending van majeur naar mineur in de negende maat van het tweede deel. De notatie van de melodie is dan exact dezelfde als de opening van het stuk, maar de begeleiding veranderd van G-majeur naar E-mineur. Juist deze wendingen maken dat er spanning en emotie in de muziek loskomt.
Moeite heb ik met de trillers die ook in allerlei vormen voorkomen. Vaak negeer ik ze. Ik vind dat ze het stuk ook niet mooier maken. Mijn idee is dat al die trillers typisch bij de klavecimbel horen omdat dat instrument nou eenmaal geen tonen lang kan aanhouden. Als Bach voor de piano had geschreven waren er vast minder trillers in deze werken terecht gekomen. In zijn essay beweert Simon Vestdijk overigens dat Bach, had hij een piano gehad dit ‘merkwaardig gonzende instrument’ nooit gebruikt zou hebben.
Maarten ’t Hart refereert in zijn boek over Bach ook aan de opmerking van Vestdijk van de mooiste melodie. Maar, eigenwijs als hij is, hij vindt natuurlijk een andere melodie van Bach de mooiste, al geeft hij wel toe dat hij de vijfde Franse suite de mooiste vindt van de zes. De Sarabande is volgens hem ook heel goed uitvoerbaar op orgel en, hij vindt het heel geschikt als begrafenismuziek. Of dit nou wel of niet een positieve waardering is, het zegt in elk geval iets over de emoties die dit werkje oproept. En getuige het feit dat Bach voor zijn mooiste begrafenismuziek, het zo even al aangehaalde slotkoraal van de Matthäus Passion, een Sarabande, gebruikte is de gedachte van ’t Hart misschien nog geeneens zo vergezocht.
Maar heeft Vestdijk uiteindelijk gelijk met zijn opmerking van ‘misschien wel de mooiste melodie’? Of moet zo’n opmerking begrepen worden in de strekking van ‘mijn vrouw is de liefste vrouw van de hele wereld’. Je meent het als je het zegt. Het komt uit je hart. Of het echt waar is weet je natuurlijk niet, maar daar gaat het niet om in die opmerking. Misschien moet de zinsnede van Vestdijk (die hij overigens tussen haakjes heeft geplaatst) inderdaad niet al te serieus of letterlijk worden genomen. Wellicht was hij ten tijde van het schrijven van zijn essay juist bezig met het instuderen van deze Sarabande. Zo’n stuk neemt dan een tijdje bezit van je. Andere mooie muziek verdwijnt naar de achtergrond. Voor mij is het nu ook even de mooiste melodie.
Bach verteld met zijn Sarabande een prachtig kort verhaal. Niet met woorden, die in het hoofd vertaald worden in concrete beelden, maar met noten en intervallen die direct neerdalen in het onderbewuste en omgezet worden in ongedefinieerde zielenroerselen en van daaruit gevoelens van genot naar boven brengen.
Dit bewerkstelligen. Daarin was Bach een meester.
Wim Faas

Zie de uitvoering van Alejandro Picó-Leonís: http://www.youtube.com/watch?v=UKGnItVVotc

Fietsen door Noord-Frankrijk

 

Fietsen door Noord-Frankrijk,  11 tot 18 juni 2011.

Dag 1
Over het duin van Breskens naar Cadzand, Retranchement, Knokke, Blankenberge, Oostende, Middelkerke. 87 km.

SDC12031

Weer op de fiets gestapt! Een week alleen op het zadel. Wat heb ik daar naar uit gezien. Doel: vanaf Vlissingen langs de Zeeuwsche en Belgische kust naar Noord-Frankrijk, Amiens, Laon (Kathedralen bezoeken) en langs de Maas terug naar Maastricht en van daar weer met de trein naar Zeist.
De treinreis duurde lang. In Rotterdam miste ik door het liftgedoe de overstap naar Vlissingen en dat kostte me een uur. In Vlissingen miste ik net de boot. Uiteindelijk fietste ik pas om 13.30 uur weg uit Breskens, waar ik ook nog even had gewacht totdat een fikse bui over was getrokken. (De trein uit Utrecht vertrok om 8.47).
Eerst de bekende route langs Nieuwvliet, Cadzand en Retranchement. De zon brak definitief door. Fietsen in Belgie was een stuk rommeliger. Slechte richting aanduiding. Knokke-Heist, Oostende. Pas het laatste stuk direct weer langs de kust. Uiteindelijk belandde ik in Middelkerke op camping de Zeester. Franstalige Belgen hadden veel te veel gebarbecued. Ik kreeg  wat worstjes van ze. Na het eten en douchen nog even in Middelkerke wezen kijken. ‘Hoogtepunt’ was het standbeeld van Suske en Wiske.

SDC12035
 
Dag 2
Middelkerke, rivier de Ijzer, Diksmuide, Fintele, Beveren, Oost-Capel, Franse grens, Herzeele, Hardifort, Zuytpeene, St.Omer, Pihem, Remilly Wirquin. 103 km.

SDC12044

Eerste Pinksterdag! Zoals gewoonlijk de eerste nacht slecht geslapen. Veel herrie van de party in de buurt. Gefietst door West-Vlaanderen. Het vlakke land waar Brel over zingt. Een heel eind de rivier de Ijzer gevolgd. De Ijzerlinie in de eerste Wereldoorlog. Veel monumenten. Bij Diksmuide de Dodengang bezocht. 400 meter loopgraven in gerestaureerde staat. Indrukwekkend. Bij Oost-Capel de grens over naar Frankrijk. De dorpjes hebben nog Vlaamse namen:  Winnezeele, Buysscheure.  Het land wordt langzaam glooiender en er moet soms al pittig op de pedalen worden getrapt.  St. Omer is een oude stad met ruines en, zij het een bescheiden, kathedraal. Laat er bij binnenkomst om half 5 een orgelconcert aan de gang zijn! Allerlei studenten spelen afwisselend één stuk op het wel heel prachtige orgel. Dan nog het laatste stuk naar in Remilly-Wirquin waar de campingbaas van  ‘du Moulin’ mij vriendelijk ontvangt.

  SDC12057
 
 
Dag 3
Remilly-Wirquin, Delettes, Laires, Heuchin, Croisette, Frévent, Barly, Eienvillers, Flesselles, Amiens. 101 km.

SDC12061

Geregend vannacht. Tijdens ontbijten en inpakken gelukkig droog, maar tijdens de fietstocht naar Amiens verschillende buien over me heen gekregen (in combinatie met wind tegen, niet al te prettig). Ook een paar gemene klimmetjes. Al snel besloten om me in Amiens maar te belonen met een overnachting in een hotel. Laatste stuk werd  het weer beter en kwam zelfs het zonnetje door. Mooie omgeving. De koeien in het land schrokken van me en renden weg, de schapen echter renden achter me aan! Laatste kilometers afdalend het Somme-dal in. Amiens is geen bijzonder mooie stad. Met name de kathedraal is de moeite waard. Imposant torent hij boven de rest van de bebouwing uit. 800 jaar oud!  In alle rust van binnen en buiten bewonderd. Buiten gekomen nog een plensbui wat een paar mooie foto’s opleverde van de waterspuwers. In een eetcafé een biertje gedronken en een hapje gegeten. Ondertussen kon mijn uitrusting lekker drogen op mijn hotelkamer op de derde verdieping vanwaar de ik een mooi uitzicht had op de kathedraal.

SDC12085

Dag 4
Amiens, Alilly sur Noye, Folleville, Planville, Maignelay-Montigny, St.Martin aux bois, (rivier Aronde), Coudun, Thourotte, Montemacq, Ollencourt, Carlepont. 102 km.

SDC12096

Glooiend landschap. Eindeloze akkers met gerst, tarwe, haver, aardappels. Niet voor niets wordt dit gebied de graanschuur van Frankrijk genoemd. Prachtig om doorheen te fietsen. Door kleine dorpjes die verlaten lijken. De kerkjes zien er toegetakeld en ongebruikt uit. De meesten zitten op slot. Dat was vroeger anders. Blijkbaar geen geld meer voor onderhoud. Zoals in st. Martin aux bois waar een ommuurde hoge kerk het landschap bepaald. Wel een mooie plek om je broodje te eten.
Gelukkig is vandaag de zon gaan schijnen. Weliswaar tussen de vele wolken door, maar toch. Het kleurt het landschap schitterend. Een tarweveld in de regen is dof, touwkleurig. Maar in het zonlicht kleurt het goud!
Voorbij de rivier de Oise veranderd het landschap. Compiegne laat ik rechts liggen anders wordt de rit naar Carlepont te lang. Bossen, weiden met koeien bepalen nu het landschap. Op camping Les Araucarias wordt me een mooi plek gewezen: eentje met een picknicktafel. Handig!

SDC12101

Dag 5
Carlepont, Sempigny, Noyon, rivier de Oise, Sineny, Andelin, Anguilcort, Nouvion, rivier Péron, Sains-Richaumont, Vervins, Foigny, Origny, Hirson.  114 km.

SDC12102

Mijn plan om via Laon te fietsen bijgesteld. Deze stad met z’n prachtige kathedraal op een heuvel wilde ik na 8 jaar nog eens bezoeken. Maar bij de receptie van de camping zag ik een foldertje van de kathedraal van Noyon. Ook die leek schitterend. Dus een andere route gepland. Om half 10 was ik er al en mijn hoge verwachting werd niet teleurgesteld. Prachtige gotiek, zonder veel overdaad. Er hing een verstilde sfeer. In een kapel was een gebedsdienst met zuiver gezang.
Na een kop koffie op het plein de tocht richting de Tiarche aangevangen. Redelijk makkelijk gefietst in het dal van 2 riviertjes. Zomers weer. Veel zon. M’n armen worden al bruin. Ook weinig wind.
In dit gebied ben ik eerder met mijn vader op vakantie geweest. Bijzonder zijn de versterkte (gefortificeerde) kerken, stammend uit een tijd dat de burgers zich in de kerk bij een aanval van de vijand terugtrokken en zich van daaruit probeerden te verdedigen.
Camping ‘La Cascade’ ligt even buiten Hirson in een mooi natuurgebied. De kosten zijn slechts € 5,50, en ik mag een plastic tafel en stoel van het terras lenen, want dat is alleen in het weekend open.

SDC12123

Dag 6
Hirson, Anor, Motanrieux, Macon, Chimay (B), Couvin, Vaucelles, Givet (Fr), Heer, rivier de Maas, Dinant (B), Namur. 121 km.

SDC12138

Een gekke dag met weer heel wat kilometers. Werd om 5.15 wakker van een regenbui, maar die zette niet door. De tent dus zo goed als droog ingepakt. Eerst noordwaarts richting Anor. België weer in. Een uitloper van de Ardennen.  Mooie vergezichten. Voortdurend dreigende wolken, maar het leek of ik vandaag tussen de buien doorfietste. Oostwaarts naar de Maas. Nog weer een stukje Frankrijk. Het fietsen langs de Maas viel wat tegen. Geen echte fietspaden. Dus: of over de grote weg of de kleinere wegen die hoger liggen en stijgen en dalen. Voorbij Heer zelf een zware klim.
In Dinant koffie gedronken naast het geboortehuis van Adolphe Sax, de uitvinder van de saxofoon. Tijdens het laatste stuk naar Namen wordt ik overvallen door een hevige onweersbui waarvoor ik kan schuilen onder een carport. In Namen een hotelletje gezocht en in de stad bij een Turk kebab en patat gegeten. Namen is een levendige studentenstad. Goede sfeer! Morgen de laatste rit naar Maastricht.

SDC12145

Dag 7
Namur, langs de Maas via Andenne, Huy, Luik naar Maastricht. 109 km.

SDC12151

Langs de Maas van Namen naar Maastricht klinkt simpeler dan het is. Soms kilometerslange fietspaden direct langs het water, soms helemaal niks en ben je weer aangewezen op de grote weg. Maar dan blijkt er opeens weer een fietspad aan de overkant van de rivier te zijn. Wat zijn we in Nederland toch gezegend met een speciale bewegwijzering voor fietsers van de ANWB. Vooral in een stad als Luik mis ik dat echt. Het stuk Luik (al kilometers ervoor) tot Maastricht is trouwens hoofdzakelijk bebouwd met industrie. Zand, stenen, kalk, cement. De fietspaden lopen vaak over de fabrieksterreinen heen, waardoor de fiets en de tassen erg vuil worden van het opspattende vieze water. Bij de Sint Pietersberg fiets ik Nederland binnen (ten westen van de Maas gefietst). Er is nog net plek voor een Nederlandse cementfabriek, de Enci . Dan begint meteen de bebouwde kom van Maastricht. Even later laat ik me fotograferen op het Vrijthof en zitten de 7 dagen fietsen erop. Fietsen door West-Vlaanderen, Pas de Calais, Picardie en de Ardennen. Om kwart voor 6 vertrekt de trein richting Utrecht. Dan nog 10 kilometer naar huis, en kan ik om 20.00 uur aanschuiven voor een lekkere warme hap gemaakt door Julia.

SDC12156

De Mattheüs Passion uitgelegd in 600 woorden

De Mattheüs Passion uitgelegd in 600 woorden (1 A4tje)

De Mattheüs Passion (MP) gaat over de laatste dagen van Christus, zijn lijden en sterven, zoals dat wordt beschreven in de bijbel: het evangelie van Mattheüs hoofdstuk 26 en 27.
Passies werden traditioneel uitgevoerd in de lijdenstijd. Bach (1685 – 1750) heeft dit  op het hoogste niveau gebracht met voor zijn tijd nieuwe stijlen o.a. uit de Italiaanse opera.
De rode draad is dus de Bijbeltekst die in gedeelten wordt gezongen door  ’de evangelist’, een tenor. Dit worden recitatieven genoemd.  Het is een soort voordragende manier van zingen.
 Als in bepaalde tekstgedeelten  meerdere mensen iets zeggen of roepen dan maakt Bach hier een koorpartij van. Bijvoorbeeld als het volk schreeuwt:  “Lass ihn kreuzigen”.
Jezus’ woorden worden door een bas gezongen. Er klinkt dan altijd vioolmuziek bij.

Alles wat er verder om en tussen de evangelietekst te horen is zijn reacties, beschouwingen, reflecties en antwoorden op het gebeuren.  Het gaat dan om twee belangrijke vormen:
Ten eerste de koralen:  dit zijn de kerkliederen uit die tijd, die worden 4 stemmig door het koor gezongen. Bijvoorbeeld: als Jezus sterft  volgt het koraal: ‘Wenn ich einmal soll scheiden, so scheide nicht von mir’. Een ‘persoonlijke’ reactie dus. De MP heeft 14 koralen.
Ten tweede de  Aria.  Dit  is een lied, vaak met een prachtige instrumentale omlijsting. Ook hier dus steeds een reactie op de gebeurtenis. Als Jezus verraden wordt zingt de sopraan, om haar verdriet te uiten:  ‘Blute nur, du liebes Herz’ of als Petrus Jezus heeft verloochend zingt de alt: ‘Erbarme dich’.  Vaak is de instrumentatie beeldend, bijv. de aria ‘Komm süsses kreuz’, die Jezus’ gang naar Golgotha verbeeld: in  de scherpe tonen van de Gamba hoor je het zwoegen van Jezus.

Dan zijn er nog  het groots opgezette openingskoor, en de afsluitende grote koorwerken van het eerste en tweede deel. In het openingskoor  ‘Kommt ihr tochter, helft mir klagen’ komt nog een andere  structuur van de MP naar voren, namelijk de dubbelkorigheid (met dubbel orkest).  Het openingskoor is een vraag en antwoordspel.  Er zijn de ‘gelovigen’ en de ’toeschouwers’ (dochters van Jeruzalem).  Als een treurmars opent het orkest de passie, en de ‘gelovigen’ beginnen hun klaaglied te zingen en proberen de ‘toeschouwers’ daar bij te betrekken:  Ziet Hem – Wie? – de Bruidegom,  Ziet Hem – Hoe? – zoals een Lam….enz.
Helemaal ingewikkeld maakt Bach het als hij in dit openingskoor nog een derde koor (vaak jongenssopranen) het koraal ‘O Lamm Gottes unschuldig’ regel voor regel laat zingen. Dit jongenskoor komt aan het slot van deel 1 nog een keer terug met het breed instrumentaal uitgewerkte koraal:  ‘O Mensch bewein dein Sünde Gross’ (over toepassing gesproken).
De MP wordt afgesloten met het grote slotkoor  ‘Wir setzen uns mit Tranen nieder’. Wederom een klaaglied, maar ook een wens voor Christus: “Ruhe sanfte, sanfte ruh”; rust zacht, in vrede.

De aria- en koorteksten zijn geschreven door Picander.  In de theologie die op de achtergrond meespeelt  wordt steeds  uitgegaan van het feit dat Jezus  moest lijden voor de zonden van de mensen en dat dus ook voor ons/mij heeft gedaan. Dus: Petrus kan wel om ontferming vragen, maar ik had het net zo goed fout  gedaan, en ben dus ook schuldig. Ook komt er in de MP veel (Bijbelse) beeldtaal voor.  Christus als bruidegom (de gemeente is zijn bruid) of Christus als lam (wat geslacht wordt).  Tenslotte: boeken zijn er geschreven over verborgen getalsymbolieken, de kruisvorm van het gehele werk (de 2 delen als de 2 kruisbalken) en de muziekbehandeling van de tekst. Literatuur genoeg voor degene die zich verder wil verdiepen in dit mooiste muziekwerk wat er bestaat.

Nun komm, der Heiden Heiland; Jesaja, Ambrosius, Luther en Bach.

Index

 “Lob sei Gott, dem Vater, ton”. Zo begint de laatste strofe van het adventslied ‘Nun komm, der Heiden Heiland’. Een lied wat oorspronkelijk stamt uit de vierde eeuw, geschreven door kerkvader Ambrosius. Maarten Luther heeft het lied opnieuw getoondicht, En zo kreeg Bach iedere advent weer met dit lied te maken. Hij schreef er verschillende orgelbewerkingen over en twee cantates. En bij elke bewerking horen we een andere ‘ton’*. En elke ‘ton’ verteld ook weer iets over een aspect van advent.

Beluister (bekijk) op youtube BWV 659, BWV 61 en BWV 62

Eerst de volledige tekst (Nederlandse vertaling zie Lied 122 uit het Liedboek voor de kerken):

Nun komm, der Heiden Heiland,
Der Jungfrauen Kind erkannt!
Dass sich wundre alle Welt,
Gott solch’ Geburt ihm bestellt.

Er ging aus der Kammer sein,
Dem kön’glichen Saal so rein,
Gott von Art und Mensch ein Held,
Sein’n Weg er zu laufen eilt.

Sein Lauf kam vom Vater her
Und kehrt’ wieder zum Vater,
Fuhr hinunter zu der Hoell’
Und wieder zu Gottes Stuhl.

Dein’ Krippe glänzt hell und klar,
Die Nacht gibt ein neu Licht dar,
Dunkel mus nicht kommen drein,
Der Glaub’ bleibt immer im Schein.

Lob sei Gott dem Vater ton,
Lob sei Gott sein’m ein’gen Sohn,
Lob sei Gott dem Heil’gen Geist
Immer und in Ewigkeit!

 

Centraal in advent staat de verwachting naar de komst van Christus.  Jesaja  9 vers 1 tot 6 zou voor Bach een grote inspiratiebron geweest kunnen zijn bij het toonzetten van dit adventslied. In dit hoofdstuk horen we de bekende woorden: “Het volk dat in duisternis wandelt ziet een groot licht”.  Ook:  “het (volk) verheugt zich voor uw aangezicht als met de vreugde van de oogst”. En tenslotte: “Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem  wonderbare raadsman, sterke God, eeuwige Vader, Vredevorst”.

 

Licht.

Luister naar de prachtige koraalbewerking op het orgel (BWV 659). Lage pedaaltonen zetten in met de eerste tonen van het gezang. Het is alsof het nog nacht is. Overal stilte. Tegelijk is er een strak, lopend ritme……Het volk dat in de duisternis wandelt…… Je ziet het voor je. En dan: als een stralende ster is er ineens die wonderschone, ‘lichte’ improvisatie op de melodie, zoals alleen Bach dat kan. Een licht dat schijnt in de duisternis. Een melodie die troost en rust geeft. De nacht is voorbij; het wordt dag!

Vreugde.

Cantate 62. Als je de cantate niet kent en je hoort de eerste tonen van het orkest en er wordt gezegd dat het een kerstcantate is zou je het geloven. De instrumentale opening zou zo in het Weihnachts Oratorium passen. Wat wil je: Advent is niet alleen verwachting, het is ook een weten dat Christus komt, of beter gezegd: is gekomen! De vreugde van kerst klinkt daarom al door in advent, en in deze cantate! “Gott solch geburt bestellt”.  God heeft het volk weer vreugde bezorgd. Bach gooit even alle remmen los. Feest!

Vredevorst.

Ten slotte. Denk je eens in: Prins Willem Alexander wordt tot koning gekroond. Onder plechtige muziek schrijdt hij de Amsterdamse Nieuwe Kerk binnen.  Het zou de muziek van Cantate 61 kunnen zijn: een Franse ouverture. Zo’n ouverture was inderdaad bedoeld ter omlijsting van de binnenkomst van een Lodewijk de zoveelste. Bij het horen van Bach’s ouverture van Cantate 61 zie je in gedachten de koning de kathedraal binnen schrijden. “Sterke God, Vredevorst…..Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk”.         
En dan de vocalen: Nun komm, der Heiden Heiland. Eerst afzonderlijk de sopranen, dan de alten, dan de tenoren en tenslotte de bassen. Alsof Bach wil benadrukken: iedereen, van hoog tot laag ziet er naar uit: “Des sich wundert alle Welt”.

Jesaja, Ambrosius, Luther en Bach. De eerste inspireerde de tweede en dat ging zo door. En daardoor is advent voor ons nog steeds een inspirerende tijd.  Licht in het donker. Vreugde om de komst van de koning. Met prachtige muziek van Bach.

“Immer und in Ewigkeit”.

 

Wim Faas

 

* Ik speel wat met het Duitse woordje ‘ton’, wat inderdaad ook ‘toon’ betekent. Dit is echter niet de
   betekenis van het woord in het laatste vers. Oorspronkelijk staat er: ‘g’tan’. Om het goed te laten
   rijmen is er ‘ton’ van gemaakt.

Alfama

 

SDC11065

De oudste wijk van Lissabon.  Eeuwen geleden gesticht door de moren. Vanaf de rivier  is er heuvel op een wirwar van straatjes, steegjes, trappen en pleintjes ontstaan.  In honderden, misschien wel duizenden  hoge, smalle huisjes wonen jongeren die hun huis hip hebben opgeknapt en ouderen, soms hoogbejaarden,  die kromgebogen naar beneden lopen om daar in het broodwinkeltje van vier vierkantje meter een paar broodjes te kopen.
De taxichauffeur brengt ons vanaf het vliegveld er naar toe. Met behulp van een routeplanner op zijn I-phone denkt hij ons gauw even af te zetten. Maar hij verdwaald hopeloos in het doolhof.  Ja, de Rue da Adigè is vlakbij, maar het straatje waar hij nu in rijdt is 1 meter 70 breed en eindigt 30 meter verder om de hoek in een trap omhoog.  Keren is niet mogelijk. In zijn achteruit dus. De taxichauffeur moet al zijn stuurmanskunsten aanwenden om schadeloos hieruit te komen.

Ons huisje ligt iets boven de straatjes die aan de voet van de heuvel liggen. Daar zijn de winkeltjes en de restaurantjes.  Honderd meter lopen en je komt 2 bakkertjes tegen, 2 winkeltjes met van alles en nog wat, maar vooral veel groenten en fruit buiten uitgestald, een slager met grote stukken vlees in de vitrine die pas bij de bestelling in 5 keurige ribkarbonades worden gehakt, 2 of 3 smoezelige koffiehuizen, een kapper, een winkeltje met allerlei elektra, een winkeltje met kranten en tijdschriften (en spullen van Benfica!), een stomerij en last but not least; een naaiatelier.

Lissabon is niet een stad van architectonische of culturele hoogtepunten. Het is een stad die je moet beleven. Je moet erin leven, het ondergaan.  Vooral Alfama. Je kijkt je ogen uit: de gevels met de geglazuurde tegels,  de oude afgebladderde deuren, de ramen waar overal wel wat was voor hangt te drogen, de vogelhuisjes die naast de kozijnen hangen.  De schitterende uitzichten als je iets hoger bent geklommen. Uit de huizen komt de geur van geroosterde sardientjes. Overal staan deuren en ramen open en je hoort de muziek klinken die bij deze stad hoort: de Fado. Melancholische levensliederen over verlangen en verloren liefdes.

’s Avonds is het een drukte van belang in de straatjes beneden. Groepjes inwoners ontmoeten elkaar op de hoeken en de pleintjes, kinderen rennen heen en weer en pesten de rondwandelende toeristen die op zoek zijn naar een plek om te eten. De restaurantjes gaan laat open en  gastheren proberen je vriendelijk naar binnen te lokken. Ook hier wordt de fado gespeeld, al doet het hier wat commerciëler aan.  “Here,  good food, and good music”  is de boodschap van een gastheer.  Hij gaat direct over in het Nederlands als hij onze afkomst herkent.  “Ik woonde  acht jaar bij jullie, als politiek vluchteling”. “Shame, dat jullie nu die rechtse regering hebben”.  Ik ben om, hier gaan we eten.

Alfama. Een antieke wijk waar oud en jong door elkaar woont, voornamelijk autochtone Portugezen.  Waar een sfeer hangt die Noord-Afrikaans aandoet.  Waar op de muren is geschreven ‘fuck the pope >  in prison’, maar  waar je ook overal de beeltenis van Santo  Antonió ziet,  de patroonheilige van de wijk.  Ik snap dat wel, want een oude katholiek leerde me ooit een gebedje wat je kan opzeggen als je iets kwijt bent:  ‘Heilige Antonius m’n beste vrind, zorg dat ik m’n …….. straatje in Alfama weer vind’.

30-10-2010

   SDC10968

SDC10939

SDC10984

De viool van mijn opa

SDC11686

De viool van mijn opa.

Als een wandversiering hing hij vroeger bij ons thuis in de huiskamer: de viool van mijn grootvader. Met netjes daarnaast de strijkstok. Zo nu en dan haalde mijn vader het instrument van de muur en speelde dan, heel gebrekkig en langzaam het Wilhelmus. Dit was , zo zei hij,  ook het enige stuk wat mijn opa er op kon spelen.
Geboren in 1896 moet het  rond 1914 geweest zijn dat mijn opa naar de normaalschool ging. Dit was een vroege voorloper van wat later de kweekschool werd en nog weer later de PABO.  Dit type onderwijs heb ik ooit ook nog even gevolgd, en toen hoorde daarbij dat je een blokfluit moest aanschaffen. In 1914 was dat blijkbaar een viool. Zo is mijn opa aan dit strijkinstrument gekomen.  Volgens de overlevering was hij echter a-muzikaal en was dus het enige wat hij kon spelen ons nationale volkslied. In die a-muzikaliteit onderscheidde hij zich overigens niet bijster van de meeste onderwijzers die na hem gekomen zijn en gegaan. Nog steeds is het droevig gesteld met muziek op de basisschool.
Na de normaalschool heeft mijn opa een aardige carrière als onderwijzer doorgemaakt. Via Oude Tonge, Hoevelaken, Lexmond en Doornspijk is hij uiteindelijk in 1934 in Ede terecht gekomen waar hij bovenmeester werd van de Paasbergschool . Dit is hij gebleven tot zijn overlijden in 1959.
De viool is met al die verhuizingen altijd meegereisd, maar zal denk ik weinig tot nooit uit de kist genomen zijn om als instrument de schoolzang te ondersteunen. In de zeventiger jaren kreeg de viool uiteindelijk de bedenkelijke  functie als wanddecoratie. Volgens mijn vader heeft  hij in die tijd de snaren nog een keer vernieuwd. Voor de viool betekende dit echter het begin van een zware tijd.  Bij gebrek aan een gitaar in ons huis probeerden  mijn broer en ik  als 13, 14 jarige pubers ons eerste gitaarspel uit op de viool van opa. Wellicht is dit de reden dat ik nooit echt goed heb leren gitaarspelen. Hoe dan ook, met de viool alsook de strijkstok ging het sindsdien alleen maar bergafwaarts. De laatste jaren hing hij troosteloos en totaal onbespeelbaar  in de achterkamer.  In 2010 ging mijn vader kleiner wonen en werden allerlei spullen waar mijn vader geen belangstelling meer voor had  verdeeld.De viool  wilde ik wel. Op zolder bleek ook de oorspronkelijke vioolkist nog aanwezig! En zo verhuisde de viool na zeker 76 jaar Ede naar Zeist.
Met de viool ben ik naar een vioolbouwer gegaan. Ik heb hem het verhaal van de viool verteld en aan hem gevraagd of het instrument nog op te knappen viel. Met een geïnteresseerde en deskundige blik onderzocht de vioolbouwer het zeker al 100 jaar oude instrument. En wat bleek: hij zag er nog wel wat in! Althans, wat de kast en de hals betreft. Allerlei andere zaken als snaren, kam en stemknoppen waren weg of kapot, maar dat viel gemakkelijk te vervangen. Het belangrijkste van een viool is de kast en de hals en die waren nog zo goed als gaaf. En wat daar nog bij kwam: de vioolbouwer vond het een mooi instrument. Hij zag bijzondere details en wees aan waaraan hij kon zien dat het instrument handgemaakt was, naar een model van Francesco Ruggeri, een zeventiende  eeuwse,  Italiaanse vioolbouwer uit Cremona.  De houten krul bij het stemmechaniek bijvoorbeeld, was asymmetrisch, en dat duidde erop dat het met de hand gesneden moest zijn. Ook de bolling van de klankkast en de kleine versierinkjes hier en daar wezen erop dat mijn grootvader niet een niemendalletje heeft aangeschaft. Hij wilde het instrument graag opknappen. Het zou me het luttele bedrag van €120,- gaan kosten. Daarnaast moest de strijkstok vervangen worden omdat die een breuk had bij het handvat.
Inmiddels is de viool weer thuis. In de vioolkist weliswaar. Volgens de vioolbouwer heeft het instrument nog een behoorlijke waarde. Voor mij is dat van minder belang. Ik ben trots dat ik dit familiestuk in bezit heb. Soms haal ik de viool uit de kist en probeer ik ‘het Wilhelmus’ te spelen.

SDC11691 

Heilige beukennootjes

 

“Bentu iets verloren?”

Ikwas van mijn fiets gestapt om wat beukennootjes van de grond te rapen. Schuinomhoogkijkend zag ik de in het zwart geklede, hoogbejaarde man met eenwandelstok die mij deze vraag gesteld had.

Hetwas op de route van mijn werk naar huis: van Bosch en Duin naar Zeist, door hetbos van Dijnselburg. Dagelijks passeer ik aan de rand van het bos de grotebungalow waar ooit kardinaal Alfrink woonde. De bungalow wordt omringd doorgrote beuken. Nu wordt de bungalow bewoond door een aantal bejaarde paters. Eénkamer is ingericht als kapel. Elke morgen als ik rond de klok van 8 uur voorbijfiets bevinden de oude mannen zich in de kapel en houden daar hun ochtendgebed.Door twee vierkante raampjes wordt mij dagelijks een tijdloos schouwspelgeboden. Er branden kaarsen en één van de paters staat gehuld in een lichtetoga achter een katheder. Dit moment heeft voor mij betekenis gekregen: zelfkom ik zo moeilijk aan bidden toe; maar deze oude mannen bidden onophoudelijken ik voel me daarin meegenomen. Als zij bidden, zal ik wel werken…..en zobezin ik me toch nog enkele momenten, en wordt ik even uit de dagelijkse sleuropgetild.

 

“Nee,ik zoek wat beukennootjes”.

Ikben tegenover het oude mannetje gaan staan. Een vriendelijk gezicht keek mijaan. Ik vroeg hem wanneer hij voor het laatst beukennootjes heeft gegeten. Hijdacht een tijdje na. “Dat kan wel tachtig jaar geleden zijn”. “Dan wordt hettijd om eens te ontdekken of de smaak van deze nootjes nog hetzelfde is”antwoordde ik.  Terwijl ik eenbeukennootje afpelde vroeg ik hem of hij een bewoner is van de bungalow. Datwas hij, zoals ik wel dacht. Hij nam het beukennootje van mij aan en stopte hetin zijn mond. En ik vertelde ik mijn verhaal; van mijn dagelijkse inkijkje bijhun gebedsbijeenkomst en mijn gedachten daarbij. “Dat is heel mooi” wastenslotte zijn reactie. “Jouw mijmeringen komen via ons wel in de hemelterecht”. ‘Typisch katholiek’ was de gedachte die door me heen flitste.

Hetbeukennootje smaakte hem overigens net als tachtig jaar geleden.

Nahem gegroet te hebben stapte ik weer op m’n fiets en ik voelde me gelukkig metdeze korte ontmoeting.

Alsofik iets kostbaars gevonden had.

Een nieuwe pasfoto

 

Bij binnenkomst in de publiekshal van  het gemeentehuis waar ik ben voor een nieuwpaspoort moet ik eerst een nummertje trekken. Nog 11 wachtenden voor me. Tijdgenoeg dus om eerst een pasfoto te maken in het pasfotohokje. Achter hetgordijntje hoor ik iemand mopperen. Ik lees alvast de werkwijze aan de zijkantvan de automaat. Door één zin kom ik in een dilemma: “Uw bril kan door de flitslichtweerkaatsingen veroorzaken waardoor de foto wordt afgekeurd. Advies uwbril af te zetten”.  Verdikkeme. Heb iknet een nieuwe bril die ik juist zo goed vindt staan. Ik waag het er maar op.“Kan” staat er in de bewuste zin.
Achter het gordijntje hoor ik nog steeds gemopper. Maar dan gaat het gordijntjeopen en komt er een bejaarde vrouw naar buiten. Haar foto moet klaar zijn, maarze kan hem nergens vinden. Ik wijs haar op de gleuf aan de buitenkant van hethokje. Opgelucht  neemt ze de foto envertrekt richting de balies.
Het nemen van de foto in het hokje is eenvoudig. Het krukje wat lager draaien.Mijn gezicht moet precies in de ovaal passen die op de  spiegel staat  waar ik in kijk.  Dan kan ik door een druk op de knop de fotonemen. Op het scherm zie ik het resultaat.  Ik mag besluiten om nog een nieuwe poging tewagen, maar ik ben direct tevreden.  Ikdruk op de knop ‘afdrukken’ en verlaat het hokje.  Een struise vrouw van een jaar of 60, geheelin het rood gekleed met lang, volgens mij geblondeerd, haar  stapt nu in het hokje.
Na een minuutje wordt mijn fotokaart uitgespuugd door de automaat. Ik sta ergoed op! Alleen, bij de bril wel wat lichtvlekken. Ai….hopelijk kan het ernog mee door.
Bij de balies moet ik nog een tijdje wachten. De vrouw in het rood blijkt nog eerder aan de beurt dan ik. Maardan verschijnt ‘mijn nummer’ op een scherm. Ik mag naar balie 3. Degebruikelijke formaliteiten worden afgenomen. Dan komt  het moment dat ik mijn pasfoto moetoverhandigen. De baliemedewerker heeft de schaar al in zijn hand om één van devier pasfoto’s eruit te knippen.  Dankomt de opmerking waar ik al bang voor was. Niet goed. Teveel lichtvlekken opde bril. Helaas. Gelukkig krijg ik een munt om een nieuwe foto te maken. Dat istoch weer coulant van de gemeente. Anders had ik opnieuw €5,- moeten betalen.De gemeenteambtenaar verteld er wel bij dat er maar eenmaal een extra muntwordt verstrekt. Als ik weer een foute foto maak mag ik zelf weer dokken. Primadenk ik. Het zal me niet meer overkomen. Bij de volgende foto zal ik mijn brilmaar afzetten. Jammer, maar er zijn ergere dingen.
Tegelijk met de dame in het rood kom ik weer aan bij het fotohokje.  Ook zij moest de foto overnemen. En watblijkt, ook teveel lichtvlekken op de bril. Dan valt het mij pas echt op: wateen knots van een bril zij op heeft,  en:knalrood! 
De bejaarde vrouw  komt warempel weer hethokje uit. Ook haar foto was blijkbaar niet goed gekeurd. Intussen was ik metde vrouw in het rood in gesprek geraakt. Dat ik op mijn paspoortfoto brillooszou verschijnen,  oké. Maar zij…… Metvolle overtuiging zeg ik dan ook tegen haar: “Maar mevrouw, als u zonder brilop de foto gaat, dan verliest u uw identiteit!”. Ze kijkt me verbaasd aan. “Ja,dat is helemaal waar” zegt ze  “Maar watmoet ik dan?”. “U kunt een pasfoto laten maken bij een fotograaf, die hebbeneen flits volgens mij niet  nodig”. “Datga ik doen, dank u wel voor de tip meneer”. De eerlijkheid gebied mij te zeggendat mijn baliemedewerker dit tegen mij had gezegd, de hare blijkbaar niet.
Intussen is de oude vrouw naar buiten gekomen.  Ze pakt haar tweede foto uit de gleuf en kijkter beteuterd naar. “Helemaal mislukt”.  Ikbekijk de foto ook. Haar gezicht staat er half op. Ze heeft het krukje niet omhooggedraaid.  “Maar u kon toch op het schermzien of uw hoofd in de ovaal zat?” vroeg ik haar. “Nee, meneer, ik moest mijnbril afzetten, dus ik kon dat allemaal niet zien”. Ik wilde nog tegen haarzeggen dat ze haar bril pas had af kunnen zetten op het moment dat ze de fotonam, maar ik kwam er niet tussen. Jammerend zocht ze in haar portefeuille naar genoeg euromunten, want nuging het haar weer €5,- kosten.
De vrouw in het rood had inmiddels iets verderop haar jas aangetrokken (echtwaar; ook rood!) en stond op het punt te vertrekken.  Toen ik kreeg ik een idee. “Mevrouw, u heeftuw munt nu niet gebruikt. Wilt u die geven aan deze mevrouw wiens tweede fotoook mislukt is?”

Dat was natuurlijk geen probleem.  En terwijl ik een oogje in het zeil hieldmaakte het oude vrouwtje haar derde foto. En die was uiteindelijk goed!